Onderstaande
tekst is over de periode 1945- 1983 gebaseerd op een hoofdstuk uit de
afstudeerscriptie van Teunis IJdens, eerder gepubliceerd in het Bulletin
Nederlandse Arbeidersbeweging, aangevuld met informatie uit het BBK-archief
dat zich in het
Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis van de KNAW te
Amsterdam bevind en algemeen bewerkt voor de BBK Krant door Rob den Boer,
beeldend kunstenaar.
Vanaf het jaar 1983 tot 2002 is de tekst door Rob den Boer geschreven op
basis van gegevens uit de BBK Kranten uit deze periode.
Op 15 mei 1945 werd de Beroepsvereniging van Beeldend Kunstenaars (BBK) opgericht, een van de organisaties die samen de Federatie van Beroepsverenigingen van Kunstenaars vormden. Al tijdens de bezetting gedurende de Tweede Wereldoorlog, hadden kunstenaars uit verschillende vakgebieden plannen gemaakt om een eenheidsorganisatie op te richten. Na vele vergaderingen, waarin de zuivering (van mensen die tijdens WO II fout waren geweest) en de voorwaarden om lid te worden of in het bestuur gekozen te worden, aan de orde kwamen, werd op 12 oktober 1945 door een uitgebreidere vergadering een definitief bestuur gekozen onder voorzitterschap van Jelle Troelstra. De oprichters kenden elkaar vaak vanuit het kunstenaarsverzet en uit vooroorlogse linkse kunstenaarsgroeperingen, zoals de Socialistische Kunstenaars Kring, de Bond van Kunstenaars ter Verdediging van de Kultuur en het anti-fascisitische Comité van Kunstenaars en Intellectuelen.
Na
de oorlog: een nieuw begin
In de
eerste jaren na de oorlog stelde eerste generatie bestuurders van de
Federatie en de bij haar aangesloten verenigingen, zich scherp op wat
betreft medezeggenschap in het kunstbeleid van de overheid, de behartiging
van de sociale belangen van kunstenaars en de politieke zuivering van het
kunstleven. Vooral het laatste punt riep veel weerstand op in de
kunstwereld, alsmede het streven van de Federatie het monopolie te verwerven
als organisatie van alle scheppende en uitvoerende kunstenaars.
Een ander conflict ontstond over de rolverdeling tussen die van een
beroepsvereniging en die van een expositie-vereniging. De leden van de
Nederlandse Kring van Beeldhouwers hadden zich in 1945 meteen collectief bij
de vakgroep Beeldhouwers van de BBK aangesloten. Met de
kunstenaarsverenigingen De Onafhankelijken en de Grafische waren
soortgelijke overeenkomsten gesloten. Een aantal andere, meest locale
kunstenaarsexpositie-verenigingen verwierp deze 'taakverdeling' en zij
verzamelden zich in de heropgerichte 'oude federatie' van beeldend
kunstenaarsverenigingen. Zij wilden ook op landelijk niveau vertegenwoordigd
zijn in adviesorganen, jury’s en dergelijke.
De jaren vijftig: de BBK
breekt door
In het
midden van de jaren vijftig werd, door de instelling van de definitieve Raad
voor de Kunst (1956), de verhouding tussen het beroepsveld en het ministerie
van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen geregeld. In 1955 hadden de BBK en
de oude kunstenaarsverenigingen hun geschillen bijgelegd en gezamenlijk
Nationaal Comité Nederland van de Internationale Associatie van Beeldend
Kunstenaars (AIAP) opgericht. Verder hadden zij overeenstemming bereikt over
de kunstenaarsvertegenwoordiging in de rijksadviescommissies voor aankopen,
opdrachten en reisbeurzen voor schilders, beeldhouwers en grafische
kunstenaars.
Vanaf 1956 was de BBK vertegenwoordigd in gemeentelijke commissies die
gemeentebesturen adviseerden over aankopen in het kader van de Beeldend
Kunstenaars regeling (BKR).Op landelijk niveau was de BBK al sinds 1952
vertegenwoordigd in de Centrale Commissie voor Revisie en Contact van het
ministerie van Sociale Zaken.
Door het verwerven van posities in het naoorlogse kunstleven, veranderde de
BBK van een algemene beroepsvereniging met een brede, vooruitstrevende
maatschappelijke oriëntatie in een politiek-neutrale beroepsvereniging met
scherpe criteria voor toelating van nieuwe leden. Het ledenaantal bleef
tussen 1950 en 1960 gelijk: ongeveer 700 leden.
De
roerige jaren zestig
De
periode 1955-1967 was in grote mate stabiel. De eerste generatie
BBK-bestuurders werd rond 1960 afgelost door kunstenaars als Ger Lataster,
Ruth Fisher, Dick Cassée en Jef Diederen. Zij zetten het beleid van hun
voorgangers voort en waren het eens over de hoofdpunten daarvan. De BBK was
een beroepsvereniging voor gerespecteerde, gevestigde kunstenaars.
Discussies over de sociale positie van kunstenaars, over de rol van
vertegenwoordigers van de BBK in landelijke en plaatselijke
adviescommissies, over toelating van leden en over de organisatiestructuur
van de vereniging leidden niet tot ingrijpende koerswijzigingen. Toch bleken
deze discussies voorboden van de ontwikkeling die de BBK vanaf 1967
doormaakte.
In de eerste plaats was er oppositie tegen het bestuur over haar rol in de
sociale belangenbehartiging, met name de contraprestatie (BKR). Men vond dat
het BBK-bestuur op sociaal vlak te weinig initiatieven ontplooide en niet
krachtig genoeg optrad in de richting van het ministerie van Sociale Zaken
(contraprestatie) en het ministerie van OKW (inkomensvormende
beleidsmaatregelen, zoals het verlenen van opdrachten). In 1964 vormden een
groep leden onder wie Frank Lodeizen, Henk Zomer, Rob Otte en Huib
Noorlander het Comité van Tien. De schilder Ernst Vijlbrief schreef een
pamflet, dat in diverse dagbladen werd afgedrukt, waarin hij betoogde dat de
BKR een vorm van uitbuiting door de overheid was. De overheid zou volgens
hem de sociaal-economische afhankelijkheid van kunstenaars gebruiken om
tegen een te lage prijs kunstwerken te verwerven.
De
'oppositionelen'
Het
bestuur en de Sociale Commissie van de BBK trokken zich de kritiek wel aan.
Er werd een nota opgesteld over de BKR, waarin werd gepleit voor een
'verhoging van de weeknorm tot een aanvaardbaar peil, voor de vrijlating van
een redelijk bedrag aan neveninkomsten en voor maatregelen die het verlenen
van opdrachten bevorderen'. Ook wilde de BBK voortaan rechtstreeks door het
ministerie van Sociale Zaken worden geraadpleegd over veranderingen in de
BKR. De Centrale Commissie, waarin de BBK was vertegenwoordigd, had slechts
een adviserende rol. Verder trad een aantal 'oppositionelen' toe tot de
Sociale Commissie en het bestuur, van 1964 tot 1967 voorgezeten door Jef
Diederen. In het jaarverslag van 1965 werd echter geschreven dat de
toegenomen inspanningen op sociaal vlak niet wilden zeggen dat de BBK de
verbetering van de verschillende sociale maatregelen nu als haar hoogste
doel zag. Structurele verbetering van de positie van kunstenaars kon volgens
het bestuur alleen voortkomen uit cultureel beleid van de overheid, dat
artistieke activiteiten en deelname daaraan door het publiek zou moeten
bevorderen. De BKR werd beschouwd als tijdelijke en aanvullende voorziening
die helaas voor een toenemend aantal kunstenaars een permanente bron van
bestaan was geworden.
Botsingen tussen generaties
Het
recht van de BBK om leden voor te dragen voor de Raad voor de Kunst en
landelijke en plaatselijke adviesraden en –commissies, bleek geen garantie
voor doeltreffende medezeggenschap voor de vereniging. Het bestuur had
kennelijk weinig greep op diegenen die namens de BBK in deze commissies
zitting namen. Het gevaar van een corporatistische overlegcultuur is dat,
door het verleggen van activiteiten naar dit soort commissies, de vereniging
een verlengstuk wordt van overheidsinstanties. Diverse malen werd dit
probleem in jaarverslagen gesignaleerd. Er werd gepleit voor meer overleg
tussen bestuur en de afgevaardigden in de commissies alsmede het inbouwen
van voorwaarden in de selectieprocedure. Het hielp echter niet veel.
Tot 1960 bestond de BBK uit drie verenigingen, te weten de vakgroepen voor
schilders, beeldhouwers en grafici, met eigen statuten, besturen en
ledenvergaderingen. In 1960 werden de verenigingen opgeheven en gingen zij
als vakgroepen binnen de BBK verder, ieder met hun eigen vergaderingen,
besturen en ballotage! Op de jaarvergadering van 1966 werd aan de vraag aan
de orde gesteld of het voortbestaan van de vakgroepen nog wel zinvol was,
gezien de vervaging tussen de kunsten. Een meerderheid binnen het bestuur
was het hiermee eens, maar de vakgroep beeldhouwers was van mening dat de
plaats en specifieke problemen van hun werkgebied een aparte vakgroep
noodzakelijk maakten. Bij de toelating van nieuwe leden kwamen verschillen
in artistieke opvatting aan het licht, met name in de vakgroep schilders.
Het traditionalisme van oudere BBK-leden botste weleens met het
avantgardisme van jongere kunstenaars. Daarom werd eind 1965 de
ballotagecommissie uitgebreid met met Bob Bonies uit Den Haag, “als
vertegenwoordiger van nieuwe uitingen in de hedendaagse kunst”.
Eind jaren zestig: roep om
verandering
In 1967
en 1968 maakte de BBK een snelle ontwikkeling door. Een groeiende groep
leden wilde dat de BBK zich zou openstellen voor jongere kunstenaars, minder
selectief zou worden en veel doeltreffender actie zou gaan voeren voor
verbetering van de contraprestatie. Ook de politieke veranderingen die in
deze jaren speelden (Provo, mei ’68, Vietnam) hadden invloed op de
ontwikkeling van de BBK.
Begin 1967 werd een herziening van de BKR aangekondigd. De BKR was voor een
heleboel kunstenaars al niet meer weg te denken als bestaansvoorwaarde. Het
aantal kunstenaars dat er gebruik van maakte, nam tussen 1960 en 1967 toe
van bijna 200 tot ruim 500, bij een ongeveer gelijkblijvend ledenaantal van
ongeveer 700. Het ministerie van Sociale zaken wilde de regeling wettelijk
vastleggen, zodat gemeenten de regeling voortaan verplicht dienden uit te
voeren. Veel kunstenaars vonden dat de regeling zelf ook onder loep genomen
moest worden en niet zomaar in zijn bestaande vorm tot wet verheven. Een
aantal Amsterdamse kunstenaars kwam samen onder de naam Belangengroep
Beeldende Kunstenaars en organiseerde een openbare bijeenkomst van diegenen
die van de contraprestatie gebruik maakten. Zij eisten een verhoging van de
weeknorm (tot dan toe op basis van de categorie “laagste klasse
hoofdarbeiders”!), een minder selectieve toelating tot de regeling en
rechtstreekse onderhandelingen tussen de BBK en het ministerie van Sociale
Zaken. Het BBK-bestuur wilde, daartoe opgeroepen door de Belangengroep, de
actie niet overnemen vanwege “het ongecoördineerde en wisselende karakter
dat deze actie kenmerkt” Dat paste volgens het bestuur niet in de wijze
waarop een organisatie als de BBK dit soort acties hoorde te voeren! Voor
verdere communicatie werd de Belangengroep verwezen naar de Sociale
Commissie van de BBK!
Een
buitengewone vergadering
Deze
reactie wekte uiteraard grote verontwaardiging bij de Belangengroep, die
daarop het initiatief nam tot het bijeenroepen van een buitengewone algemene
ledenvergadering van de BBK, de eerste keer in de geschiedenis van de
vereniging. Op deze vergadering betoogde Huib Noorlander namens het bestuur
dat de standpunten over de contraprestatie tussen de Belangengroep en het
bestuur in wezen niet zo ver uit elkaar lagen, maar dat BBK als partner in
overlegorganen tussen overheid en kunstenaars niet zomaar achter iedere
actie kon gaan staan. De belangengroep signaleerde, dat sinds de BBK een
verbeterprogramma voor de contraprestatie had gepubliceerd in 1964, via deze
overlegkanalen geen enkele verbetering was bereikt. Vervolgens werd het
eisenpakket van de Belangengroep voor een groot gedeelte aangenomen door de
vergadering. Aan minister Roolvink van Sociale zaken werd een telegram
gestuurd, waarin met 'allermeeste klem' werd aangedrongen op rechtstreeks
overleg over de wettelijke regeling en waarin een onmiddellijke 35%
verhoging van de weeknorm werd geëist. Dit werd door de minister meteen van
de hand gewezen en hij verwees de BBK voor verder overleg naar de Centrale
Commissie en de Vereniging Nederlandse Gemeenten.
In
gesprek met de minister
Op de
jaarvergadering van de BBK, 17 juni 1967, werd besloten tot actie, samen met
de Federatie en andere belangengroepen, om druk te zetten op de minister en
op de Tweede Kamer.
Leden van de Belangengroepering werden in het bestuur van de BBK gekozen.
Ger Lataster volgde Jef Diederen eind december 1967 op als voorzitter.
Uiteindelijk vond in november 1967 toch een gesprek plaats tussen het
bestuur en minister Roolvink. De Belangengroep had zich zelf niet opgeheven
en praatte op eigen initiatief met Tweede Kamerleden. De Sociale Commissie
van de BBK kwam met de 'Nota inzake de BKR', waarin de vraag werd gesteld of
de BKR een sociale maatregel moest blijven of ingepast kon worden in het
culturele beleid van de overheid. De voorkeur van de opstellers ging
duidelijk uit naar een cultuurpolitieke regeling. Men wilde dat de
kunstenaar en zijn werk in de maatschappij zou worden opgenomen en dat mede
daardoor ook het materiële bestaan van de kunstenaar zou kunnen worden
gewaarborgd. Uiteindelijk bleek het ministerie van Sociale Zaken slechts
bereid tot een matige verhoging van de weeknorm, op grond van differentiatie
naar leeftijd. De BBK besloot na uitvoerig overleg dit voorstel te
aanvaarden, onder protest tegen de differentiatie, die in elke vorm
ongewenst werd gevonden. Op de jaarvergadering van juni 1968, werd het
bestuur door de leden gesteund in haar standpunt dat de BKR moest worden
vervangen door een culturele regeling. Verder kreeg het bestuur opdracht
acties voor te bereiden voor het geval de geëiste verbeteringen in de BKR
zouden uitblijven. De minister kondigde een herziening van de BKR aan per 1
januari 1969, waarin de weeknormen gematigd werden verhoogd en de
toelatingseisen juist werden verscherpt en de invloed van
kunstenaarsorganisaties verminderd. BKR-gebruikers mochten zelfs helemaal
geen lid zijn van gemeentelijke aankoopcommissies en verder moesten naast
beeldend kunstenaars ook andere deskundigen lid zijn. Dit werd door de leden
opgevat als 'een motie van wantrouwen aan het adres van de beeldende
kunstenaars'.
De 'aksie-BBK'
De eis
van de belangengroep dat leden van de BBK zonder meer tot de BKR moesten
worden toegelaten en dat kunstenaars van wie bij herhaling werk was
aangekocht niet meer uit de regeling gezet konden worden, werd niet door de
ledenvergadering van de BBK overgenomen. Het argument was, dat de ballotage
van de BBK dan wel zeer selectief zou moeten worden. Er ontstond een
discussie of de BBK nu een vakvereniging of een 'kwaliteitsgroep' zou moeten
zijn. In januari 1969 werd besloten dat de BBK een vakorganisatie was en dat
nieuwe leden konden worden toegelaten op voordracht van drie leden of op
grond van deelname aan de BKR, omdat zij voor die regeling reeds
geballoteerd waren. Als leden bezwaar hadden tegen toelating van een
bepaalde kunstenaar, kon een onderzoek worden ingesteld.
In 1969 en 1970 werd de aandacht van de BBK gevraagd voor de democratisering
en politisering van de kunstwereld, als onderdeel van de protestbeweging die
in de gehele maatschappij in opkomst was. Ernst Vijlbrief, onder de indruk
van de gebeurtenissen in mei 1968 in Parijs, wilde in de vakgroep Schilders
een standpunt bepalen inzake de komende 'kulturele revolutie'. Een jaar
later werd de Katholieke Hogeschool in Tilburg door haar studenten omgedoopt
in Karl Marx Universiteit, in Amsterdam werd het Maagdenhuis bezet. In mei
1969 vond een stormachtige ledenvergadering plaats, die het verdeelde
bestuur aan de zijlijn plaatste. De leden besloten een actiecomité in te
stellen die in de zomer van 1969 de 'aksie-BBK' organiseerde.
Gematigden en radicalen
Strijdleus was 'beslissingsrecht op eigen terrein, inspraak voor iedereen,
openheid op alle niveaus', ondersteund door tien stellingen. De overheid
werd verantwoordelijk gesteld voor 'falend kunstbeleid'. Men eiste een veel
actiever beleid van het ministerie van CRM (Cultuur, Recreatie en
Maatschappij). Kunst en cultuur moesten volgens de stellingen evenveel
aandacht krijgen als de economie van de verwerpelijke
consumptiemaatschappij. Voornaamste doelwit van de aksie-BBK in de zomer van
1969 waren de musea voor moderne kunst en het geheel van culturele raden en
adviescommissies op het terrein van de beeldende kunst. De bezetting van de
nachtwachtzaal in het Rijksmuseum, op 11 en 12 juni 1969, was het eerste
grote wapenfeit dat landelijke belangstelling trok. Een poging om het
Stedelijk Museum te Amsterdam te bezetten, mislukte, omdat de politie bleek
ingelicht en het gehele museumgebouw had afgegrendeld. Acties tegen raden en
adviescommissies, op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau, waren
gericht op herstructurering van deze organen, zodat kunstenaars in het
vervolg de meerderheid van de leden zouden vormen.
Voorzitter Ger Lataster, Jan Sierhuis en andere bestuursleden,
distantieerden zich van dit soort bezettingsacties en werden daarvoor zeer
bekritiseerd door de 'radicalen' rond Bob Bonies en Ernst Vijlbrief. Er
dreigde een scheuring tussen gematigden en radicalen. Er werd een nieuwe
bestuur gekozen, dat in meerderheid uit activisten bestond, met als
voorzitter Bert de Laaf, die de eenheid van de BBK wilde redden.
De scheuring
In
september 1969 publiceerden veertig veelal bekende kunstenaars als Ger
Lataster, Jan Sierhuis en Wessel Couzijn een brief, waarin zij de aksies
veroordeelden als uiting van frustratie in eigen kring, niet-effectief naar
buiten toe en beschadigend voor het oorspronkelijke doel, namelijk het
realiseren van een beter cultuurbeleid. Zij eisten dat het nieuwe bestuur
zou aftreden, wat de meerderheid in het bestuur niet wilde doen. Nadat de
'Veertig' en het bestuur ieder apart een buitengewone ledenvergadering
hadden gehouden, was de scheuring een feit en vond op 11 oktober 1969 de
oprichting plaats van de BBK’69, waarin de Veertig en hun aanhangers verder
gingen.
Binnen de vernieuwde BBK vormden zich al snel twee fracties. De ene stroming
wilde een maatschappijkritische opstelling combineren met actie voor de
verbetering van de sociale positie van kunstenaars, de andere stroming gaf
absolute prioriteit aan maatschappijkritiek en kunstpolitiek en richtte zich
vooral op vernieuwing van het kunstbeleid. Er ontstond een bittere strijd om
elk agendapunt en elke positie die in de vereniging vacant kwam.
Vakbondsstrijd om de positie van kunstenaars in de BKR te verbeteren, kwam
volgens de radicale stroming van voorzitter Bob Bonies neer op 'versterking
van het kapitalisch systeem en ondermijning van de positie van
kunstarbeiders'. Leden uit de vakbondsstroming beschouwden politiek kleur
bekennen door de BBK als een goede zaak, maar het betitelen van 1500
individuen als 'kunstarbeiders' vonden zij vervreemdend werken. Zonder al
die poespas konden kunstenaars ook wel weten dat ze uitgebuit werden!
De jaren zeventig: de
verdediging van de BKR
In de
periode 1971-1972 ontstond uiteindelijk de finale machtstrijd tussen de
fracties. In januari 1972 werd een nieuw bestuur gekozen, waarin de
standpunten van de gematigde fractie alsmede het waarborgen van de
democratie, hoofdpunten van beleid werden binnen de vereniging. Bonies c.s.
zetten hun strijd voort in het BBK-gewest Den Haag. Zij werden uiteindelijk
geroyeerd door de BBK, waarna ze in 1973 hun eigen vereniging oprichtten, de
Bond van Beeldende Kunst Arbeiders (BBKA). Er waren nu drie BBK’s: de
traditionele BBK’69, de vernieuwde BBK en de BBKA. Naast de drie BBK’s
ontwikkelde de vakgroep Beeldend van de kunstenaarsbond NVV (later
Kunstenbond FNV) zich tot de vierde landelijke organisatie van beeldend
kunstenaars. Wat de instandhouding van de BKR betreft, zat deze bond op een
lijn met de BBK en trokken deze bonden een aantal malen met elkaar op om de
regeling te verdedigen.
Vanaf 1982 ging er met het aantreden van het kabinet Lubbers I een andere
wind waaien in het Nederlandse politieke landschap. Er was een enorm
begrotingstekort en de werkloosheid liep steeds verder op. De begroting voor
de BKR dreigde met 7,6 miljoen te worden overschreden en daarom wilde
staatssecretaris De Graaf van Sociale Zaken bezuinigen op de BKR-uitkeringen.
Iedere kunstenaar zou hierdoor 15% op de uitkering moeten inleveren, alsmede
de prijscompensatie.
Onder druk van bezuinigingen
Op 2
maart 1983 vergaderde de Tweede Kamer met de staatssecretaris en minister
Brinkman van WVC (Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) over de BKR. Eerder
die week hadden leden van de Vaste Kamercommissie van Sociale Zaken en WVC
vrij heftig gereageerd op de voorstellen van De Graaf. Tijdens het debat van
2 maart werden door politici van vrijwel alle fracties kritische opmerkingen
gemaakt over de plannen. De coalitiepartners CDA en VVD trokken bij monde
van hun woordvoerders de volgens de staatssecretaris te verwachten groei van
het aantal gebruikers van de BKR in twijfel. Zij drongen aan op uitstel tot
1 augustus om dan te bezien of de begrotingsoverschrijding verder zou
oplopen dan 7,6 miljoen en als dat het geval was, alsnog maatregelen te
nemen. CPN-woordvoerder Gijs Schreuder merkte op dat “het besluit tot
wijziging van de BKR een regelrechte jobstijding is voor de betrokken
kunstenaars. Zij worden geconfronteerd met een achteruitgang van inkomen van
200 tot 700 gulden (bruto per maand). Een aantal van hen zal het beroep
moeten opgeven, hetgeen heel ernstig is.” Verder vond de Kamer (met name
PVDA en CPN) het ongepast dat de voorstellen per 1 maart waren doorgevoerd
zonder overleg met de Kamer en met vertegenwoordigers uit het 'veld'.
Minister Brinkman meende dat er “tal van beeldende kunstenaars zijn die
geen staatssteun krijgen en toch goed kunnen rondkomen”. Hij pleitte ervoor
een aantal fondsachtige activiteiten zoals stipendia, beurzen, enzovoort te
versterken en het aankoop- en opdrachtenbeleid te intensiveren. Dat zou de
kwaliteit en de vernieuwing van de kunst ten goede komen en de geldstromen
meer in de richting van kunst-beleid sturen in plaats van sociale
zekerheidsbeleid.
Op 17 februari 1983 had de BBK reeds een demonstratieve actie in het Van
Goghmuseum te Amsterdam georganiseerd, waar zo’n 300 kunstenaars aan
deelnamen. Het leverde landelijke publiciteit op, tot over de grenzen. Onder
druk van deze actie zegde staatssecretaris De Graaf toe op die dag om 16.15
u een delegatie van de BBK te zullen ontvangen.
De
contraversierders
Binnen
de beeldende kunstwereld stak de BBK duidelijk haar nek uit om de BKR in een
levensvatbare vorm te behouden. In de Centrale BKR-commissie verwierpen de
BBK vertegenwoordigers de bezuinigingsmaatregelen van De Graaf. Zij waren er
verder op tegen dat de Centrale Commissie alternatieve
bezuinigingsvoorstellen zou doen. Dat zou de politiek slechts in de kaart
spelen. De Commissie leverde die alternatieven wel, met een afwijzend
minderheidsstandpunt van de BBK.
Op 18 augustus 1983 startte de BBK de actie 'De BKR, gebruik hem beter' om
te proberen via gemeentelijke en provinciale overheden tot een betere
toepassing van de Regeling en een inkomensgarantie voor kunstenaars te
komen. Veel leverde deze actie niet op, ook de lagere overheden kampten met
bezuinigingen.
In maart 1983 had het BBK-gewest Amsterdam op de algemene ledenvergadering
een verklaring aangenomen dat de aangesloten kunstenaars geen medewerking
zouden verlenen aan de 'versiering' van de Stopera, het nieuwe
gemeentehuis/operagebouw van de gemeente Amsterdam. In het kader van de 2%
procentregeling was er een budget van 1,4 miljoen gulden (2% van de
bouwkosten was 6 miljoen!) beschikbaar voor kunsttoepassingen. De
kunstcommissie Stopera wilde vooral buitenlandse grote namen opdrachten
geven. Op de informatiedag 10 december 1983 in Carré, begonnen
'contraversierders' direct bij aanvang de zaal vol te hangen met teksten en
fotomateriaal uit het informatiearchief 'protesten rond de Stopera'. De
bijeenkomst eindigde in chaos en werd uiteindelijk afgebroken.
Handhaven BKR of een
fondsensysteem
De
Federatie van Kunstenaarsverenigingen en BBK’69 lanceerden in maart 1983
reeds plannen voor nieuw kunstbeleid en boden hun rapporten aan minister
Brinkman aan. De BBK noemde dat in haar krant, nummer 148 (april 1983)
“stroop om de mond van Brinkman, die al vele malen heeft beweerd dat hij wel
kunstbeleid wil maken als hij de centen maar krijgt”. Volgens de BBK zou
Brinkman dat geld willen verkrijgen door de BKR af te schaffen en daarvoor
in de plaats een systeem van fondsen, stipendia, opdrachten, enzovoort op te
zetten, onder één ministerie, dat van WVC. De BBK wenste onverkort vast te
houden aan handhaving van de BKR als arbeidsregeling voor kunstenaars en die
regeling een wettelijke basis te laten krijgen, waardoor een minimale
inkomensgarantie geregeld zou worden.
Een onderzoek van het IVA, verbonden aan de katholieke Universiteit Tilburg,
wees onder meer uit dat 95% van de professionele beeldend kunstenaars mede
afhankelijk was van inkomen van partner, part-time baan of de BKR. De vrije
markt zou slechts kunnen functioneren als zelfstandige inkomstenbron voor
kunstenaars als de totale omzet met de factor 2,32 zou stijgen, uitgaande
van 10.000 professionele kunstenaars. Een andere uitkomst van het onderzoek
was dat de BKR-gebruiker een bevlogen kunstenaar was die zich op intensieve
wijze met beeldende kunst en het maken van kunstwerken bezig hield. Diegenen
die buiten de BKR werkten, werden qua beroepsmatigheid over het algemeen als
'zwak' aangemerkt.
Op 13 april 1983 werd door Henk Hesselius, voorzitter van de Nederlandse
Kring van Beeldhouwers (NKvB) mede namens de BBK, BBK’69, BBKA, BBV en
Kunstenbond FNV een petitie met 13.500 handtekeningen aangeboden aan Mw.
Kraaijeveld-Wouters, vice-voorzitter van de Tweede Kamer. De handtekeningen
waren verpakt in de vorm van een schoorsteen, vergezeld van pakketjes met
catalogi van werk dat in zeker 90% van de gevallen met steun van de BKR tot
stand was gekomen.
De bezetting van de grote
rijksmusea
Op
zaterdag 25 juni boden Rotterdamse kunstenaars Mw. Ria Lubbers een portret
aan van haar echtgenoot, minister-president Ruud Lubbers, dat half was
afgemaakt, om aan te geven dat zij door de aangekondigde
bezuinigingsmaatregelen in de toekomst hooguit half werk zouden kunnen
leveren. Ook in andere delen van het land vonden acties plaats, bijvoorbeeld
het uitroepen van de republiek Rottum en het 'versieren' van het Van
Abbemuseum.
Tussen 9 en 29 december 1983 werden alle grote rijksmusea in Nederland,
waaronder het Stedelijk Museum te Amsterdam en het Rijksmuseum, een of
meerdere dagen bezet. Over het algemeen toonden de museumdirecties begrip
voor de actievoerende kunstenaars.
Per 1 januari 1984 werd de BKR-regeling gewijzigd, waardoor eisen van
professionaliteit werden aangescherpt en de BKR een aanvullend karakter
kreeg door de instelling van de inkomenseis. Een bepaald bedrag,
aanvankelijk 3000 gulden, al snel opgetrokken tot 6000 gulden, moest uit
artistieke werkzaamheden zelf worden verdiend om in aanmerking te kunnen
komen voor de BKR-regeling. Door deze eis zouden meer en meer kunstenaars in
de bijstand komen.
De BBK dagvaardde daarop de Staat der Nederlanden wegens handelen in strijd
met de zorgvuldigheid en de beginselen van behoorlijk bestuur. Verder uitte
de BBK haar vrees dat binnen twee jaar de helft van de gebruikers uit de BKR
zou vallen en dat dit niet in verhouding stond tot bezuinigingen op andere
terreinen van overheidszorg. Verder eiste de BBK (indien onverbindend
verklaren van de wijziging niet zou lukken) een nauwkeurige omschrijving van
de begrippen 'artistieke kwaliteit' en 'maatschappelijke erkenning',
begrippen waar in de gewijzigde BKR-regeling zeer op gehamerd werd. Dit
proces werd in maart 1985 na uitspraak door de rechter op alle punten door
de BBK verloren. De rechter beriep zich bij het vonnis op het regeerakkoord
en liet volgens het verslag in de BBK-krant van april 1985, veel van de door
de BBK aangevoerde rapporten en adviezen links liggen.
De BKR wordt langzaam uitgekleed
Medio 1984 kwamen de ministers Deetman (Onderwijs) en Brinkman (WVC) met
voorstellen om het aantal kunstacademies in te krimpen. Verder werden fusies
aangemoedigd tussen de hogescholen, ook met hogescholen in andere
disciplines (bv. ballet). Ze moesten minimaal 600 studenten hebben en drie
studierichtingen kunnen aanbieden, namelijk lerarenopleiding, industriële
vormgeving en autonome kunsten. Er zouden naar verwachting 6 à 7
kunstacademies overblijven, verspreid over het land. Volgens de BBK zouden
hierdoor grote scholen-gemeenschappen ontstaan die, mede door de voorgenomen
verkorting van de studieduur met twee jaar, zouden leiden tot een zeer
onpersoonlijk geheel.
Eveneens in 1984 introduceerde het ministerie van WVC de kunstkoopregeling.
De BBK vreesde vermindering van rechtstreekse verkoop uit ateliers, omdat de
koper liever vijf jaar afbetaalt zonder rente dan rechtstreeks koopt,
waardoor de kunstenaar bijna verplicht werd via galeries te verkopen, die
40% commissie inhielden.
Staatssecretaris De Graaf kwam met voorstellen om de samenstelling van de
BKR-commissies zo te veranderen dat BKR-gebruikers er geen zitting meer in
zouden hebben en werden vervangen door ambtenaren en deskundigen.
Overleg of actie:
een scheuring in het bestuur
Op zaterdag 17 november 1984 maakten twee leden van het landelijk bestuur
van de BBK, voorzitter Bard Houtkamp en vice-voorzitter Henk Willigendael,
in het NOS-journaal bekend dat er een scheuring in het landelijk bestuur was
ontstaan en dat zij opstapten en hun lidmaatschap opzegden. Op 16 november
had Willigendael reeds een ultimatum gesteld aan het bestuur om op te
stappen, hetgeen de overige bestuursleden niet deden. Houtkamp en
Willigendael vonden dat hun collega’s teveel als politieke groepering
optraden. Zijzelf wilden liever open, officieel overleg met de overheid, in
plaats van individuele contacten met politici en acties, die binnen de BBK
in hun ogen teveel onrust wekten. De overige bestuursleden gaven een
verklaring uit, waarin zij zeiden met verbazing van de NOS-uitzending kennis
te hebben genomen. Verder vonden zij dat de twee dissidenten naam en
betekenis van de BBK in diskrediet hadden gebracht en spraken zij
nadrukkelijk hun afkeer uit van de actie: “de BBK staat voor een door het
socialisme geïnspireerd beeldend kunstbeleid en kent als zodanig een lange
traditie van acties. Zij voelt zich nauw verbonden met de sociale strijd van
uitkerings-gerechtigden en andere kwetsbare groepen in onze samenleving. De
BBK kan geen 'ja' zeggen tegen dit regeringsbeleid, zelfs geen half ja.”
Op 17 december 1984 vond onder 'technisch' voorzitterschap van Jan ten
Voorde een buitengewone ledenvergadering plaats. Het beleid van politieke
strijd en acties, als zijnde onvermijdelijk om de belangen van kunstenaars
te verdedigen, werd algemeen goedgekeurd in vervolg op de verklaring die op
de plenaire vergadering van 4 december was aangenomen. Op de jaarvergadering
van 22 maart 1985 werd Jaap Lok tot nieuwe voorzitter gekozen.
De BKR
wordt afgeschaft
In de BBK-krant kwam meer aandacht voor de positie van vrouwen in de kunst.
Ze kwamen bijna nooit in aanmerking voor de BKR, omdat ze meestal geen
kostwinner waren. Dat maakte het moeilijk voor vrouwen om als kunstenaar aan
het werk te komen.
In de loop van 1986 kwamen er steeds meer tekenen dat de BKR zou worden
overgeheveld naar het ministerie van WVC en geleidelijk zou worden
afgeschaft. Het aantal gebruikers was al teruggelopen van ongeveer 3000 in
1983 tot ongeveer 1000, vanwege de inkomenseis, die nu op 8000 gulden lag.
Na de verkiezingen van 1986 besloot het demissionaire kabinet-Lubbers
inderdaad om de BKR af te schaffen. Zestig miljoen gulden van de vrijkomende
gelden ging naar WVC. De helft ging het ministerie zelf gebruiken om
Nederlandse kunst van nationaal en internationaal niveau te steunen, de
andere helft zou worden verdeeld over de provincies en de vier grote steden
voor subsidieprojecten. De kunstenaars gingen in de bijstand.
Een
vangnet met grote gaten
WVC
wilde de 'top' steunen. De brede groep daaronder die 'tijdelijk niet in
staat is om zelf voldoende inkomsten te verwerven om het beroep uit te
oefenen en aangewezen zullen zijn op een sociale voorziening', kwam terecht
in wat men het Vangnet noemde, een beroepskostenvoorziening die niet in
mindering gebracht zou worden op een sociale uitkering. WVC ging hierbij
uit van maximum 300 gevallen, volkomen irreëel in de ogen van de BBK.
De BBK startte opnieuw acties, onder meer door de kantine van het ministerie
van WVC te bezetten. Op 19 november 1986 ging de Tweede Kamer akkoord met de
opheffing van de BKR per 1 januari 1987.
De regering richtte het Fonds voor de Beeldende Kunst, Vormgeving en
Bouwkunst op, die individuele subsidies en beroepskosten vergoedingen zou
gaan uitkeren. De limiet van 300 kunstenaars werd losgelaten. Er kwam een
tijdelijke regeling waarbij het ministerie van WVC zelf
beroepskostenvergoedingen uitkeerde aan professionele beeldende kunstenaars.
Tweeduizend van hen voldeden aan de eisen van professionaliteit, maar
slechts ongeveer duizend kregen de beroepskostenvergoeding omdat het budget
niet toereikend bleek. Professionaliteit bleek dus geen garantie voor een
beroepskostenvergoeding, wat de term 'vangnet' tot een aanfluiting maakte.
Het Fonds voor de Beeldende Kunst, per 1 februari 1988 in werking,
verwachtte in 1989 17% van de aanvragen voor een beroepskostenvergoeding te
kunnen honoreren.
De jaren negentig:
invoering van de WIK
Men
bedacht een ludiek plan onder het motto: 'Adopteer een Kamerlid!' Iedere
kunstenaar die deelnam aan dit plan zou een Kamerlid meenemen op
atelierbezoek en naar tentoonstellingen, om zodoende interesse op te wekken.
Op de extra ledenvergadering van 22 februari 1989 werd de heraansluiting
(per 1 juli 1989) bij de Federatie van Kunstenaarsverenigingen goedgekeurd.
De Federatie was meer dienstverlenend en overkoepelend geworden.
In september 1994 kwam staatssecretaris Nuis voor het eerst met een
aankondiging een basisfonds voor de kunst te willen oprichten. Het
beroepsveld had hiertoe in 1993 reeds voorstellen gedaan. In de voorstellen
van het beroepsveld was de uitkering 50% van het minimumloon plus
gezinstoeslag. Men zou kunnen bijverdienen tot 100% van het minimumloon.
Beroepskosten tot 10.000 gulden waren vrijgesteld van belastingheffing.
Uiteindelijk ging de regeling per 1 juli 1998 in onder de naam WIK (Wet
inkomensregeling Kunstenaars), waarbij de kunstenaar 70% van het
bijstandsniveau ontving, mocht bijverdienen tot 125% van het bijstandsniveau
en voor 10.000 gulden beroepskosten per jaar vrijgesteld was van
belastingen. Een alleenstaande kunstenaar zou dus in 1998 957,27 gulden
netto per maand ontvangen, niet eens genoeg voor de vaste lasten! Verder had
de BBK becijferd dat kunstenaars gemiddeld 16.000 gulden per jaar aan
beroepskosten kwijt waren. Na maximaal vier jaar moest de kunstenaar
zichzelf kunnen bedruipen, anders volgde bijstand met sollicitatieplicht en
omscholingscursussen. Het spreekt voor zich dat het 'veld' zeer
teleurgesteld was over deze regeling, men zag de eigen voorstellen als het
minimum.
Het marktdenken:
heeft de BBK nog bestaansrecht?
De trend naar zelfstandige inkomensverwerving voor kunstenaars zou onder
staatssecretaris Rick van der Ploeg nog verder worden doorgetrokken richting
het zogenaamde 'cultureel ondernemerschap'. Het is echter een feit dat de
vrije markt te klein is om te bewerkstelligen dat iedere professionele
kunstenaar in Nederland van zijn of haar werk kan leven. De BKR was na de
oorlog steeds meer aan betekenis gaan winnen en was uitgegroeid uit tot een
situatie, die niet meer weg te denken viel. Er was een infrastructuur tot
stand gekomen van onder meer artotheken, publieke uitleenfaciliteiten,
opdrachtmogelijkheden en educatieve projecten. Zo’n 3500 mensen vonden
destijds een bestaan in de beeldende kunst. De grond onder dit alles was
afgebroken en vervangen door een regeling die schamper werd omschreven als
WAK, Wet Armoedevoorziening Kunstenaars.
Deze gang van zaken toont vooral aan dat een beroepsvereniging als de BBK
een duidelijk recht van bestaan heeft!
Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars © 2009
Ledenvergadering
Bestuur
Landelijk bureau
BBK Rijnmond
Gewesten
Activiteiten
Geschiedenis